Spelling leer je door de regels te kennen en ze steeds opnieuw toe te passen. Op deze pagina oefen je meteen: kies een onderwerp, beantwoord de vragen en lees direct waarom een antwoord goed of fout is. Daarna vind je de zes belangrijkste spellingregels, een dictee met antwoorden en een plan van vier weken.
Oefen direct: 161 spellingvragen
Kies wat je wilt oefenen
Zo werkt de oefening
Kies een onderwerp en een niveau, of laat alles door elkaar komen. Het niveau is een indicatie voor groep 5 en 6, groep 7 en 8 of de brugklas en hoger: scholen en methodes verschillen. Bij elke vraag zie je meteen of je antwoord goed is, met een korte uitleg van de regel. Aan het einde zie je welke vragen fout gingen en kun je alleen die opnieuw oefenen. De volgorde van de antwoorden verandert steeds, dus je onthoudt niet de plaats van het goede antwoord.
De zes belangrijkste spellingregels
Met deze regels los je een groot deel van de spellingvragen op. Leer ze niet uit je hoofd, maar oefen ze met voorbeelden.
| Regel | Kort uitgelegd | Voorbeeld |
|---|---|---|
| 1. Verlengingsregel | Weet je niet of een woord op een d of t (of op een b of p) eindigt? Maak het woord langer, meestal met een meervoud, en luister dan naar de letter. | hond, honden (dus d); krab, krabben (dus b) |
| 2. Stam + t | Bij ik schrijf je de stam. Bij jij, hij, zij en het komt er een t achter. Staat jij achter het werkwoord, dan geen t. | ik vind, hij vindt, vind jij? |
| 3. 't kofschip | Voor het voltooid deelwoord en de verleden tijd van zwakke werkwoorden: kijk naar de infinitief. Staat er een t, k, f, s, ch of p in de stam, dan schrijf je -t of -te. Anders -d of -de. | gewerkt (werken), gehoord (horen), verhuisd (verhuizen) |
| 4. Enkele of dubbele letter | Hoor je een korte klinker, dan schrijf je in het meervoud twee medeklinkers. Bij een lange klinker één. | man, mannen; maan, manen |
| 5. Verkleinwoorden | De meeste woorden krijgen -je. Na een lange klank of tweeklank plus m komt -pje. Na een korte, beklemtoonde klank plus l, n, r, m of ng komt -etje. Na een lange klank plus l, n of r en na onbeklemtoond -el en -er komt -tje, na onbeklemtoond -ing komt -kje. | huisje, boompje, ringetje, tafeltje, koninkje |
| 6. Hoofdletters | Namen, landen, plaatsen en talen krijgen een hoofdletter. Dagen en maanden niet. | Utrecht, Frankrijk, Engels; maandag, juli |
Regel 3 uitgelegd: 't kofschip
Veel fouten ontstaan bij het voltooid deelwoord en de verleden tijd. Onthoud de letters t, k, f, s, ch, p, want die staan in 't kofschip. Kijk naar de stam van de infinitief, dus het werkwoord zoals het in de hele vorm staat.
- werken, stam werk: k zit in 't kofschip. Dus ik werkte en gewerkt.
- horen, stam hoor: r zit er niet in. Dus ik hoorde en gehoord.
- verhuizen, stam verhuiz: de z zit er niet in, ook al hoor je een s. Dus ik verhuisde en verhuisd.
- fietsen, stam fiets: s zit erin. Dus ik fietste en gefietst.
Meer daarover lees je in werkwoordspelling en onvoltooid verleden tijd.
Zo oefen je spelling slim
- Oefen kort en vaak. Tien minuten per dag werkt beter dan een uur op zondag.
- Werk met een foutenschrift. Schrijf elke fout op, met de regel erbij en het goede antwoord. Lees het schrift elke week door.
- Herhaal fouten na een dag, na drie dagen en na een week. Zo blijft de regel hangen.
- Zeg de regel hardop voordat je schrijft: "Ik verleng het woord" of "Ik kijk naar de infinitief."
- Schrijf zelf zinnen met de woorden die je vaak fout hebt.
- Lees veel. Wie veel leest, ziet hoe woorden geschreven worden.
Dictee om zelf te oefenen
Vul in. De antwoorden staan eronder.
- De hond (blaffen) hard.
- Ik (vinden) spelling leuk.
- Gisteren hebben we lang (fietsen).
- Ze zijn vorig jaar (verhuizen).
- Hij (leven) al jaren in Utrecht.
- Het bor_ en de hoe_ liggen op het pa_.
- Wij hebben de hele avond (praten).
- mijn oma woont in amsterdam en spreekt frans. (schrijf de zin goed)
Antwoorden: 1) blaft. 2) vind. 3) gefietst. 4) verhuisd. 5) leeft. 6) bord, hoed, pad. 7) gepraat. 8) Mijn oma woont in Amsterdam en spreekt Frans.
De acht meest gemaakte fouten
| Fout | Goed | Waarom |
|---|---|---|
| hij word | hij wordt | bij hij komt er een t achter de stam |
| ik vindt | ik vind | bij ik alleen de stam |
| gepraatt | gepraat | de stam eindigt al op een t |
| verhuist (deelwoord) | verhuisd | in verhuizen staat een z, en die zit niet in 't kofschip |
| ze fietsden | ze fietsten | de stam fiets eindigt op een s |
| groter als | groter dan | bij een vergelijking gebruik je dan |
| Maandag, Juli (midden in een zin) | maandag, juli | dagen en maanden schrijf je met een kleine letter |
| engels, frankrijk | Engels, Frankrijk | talen en landen krijgen een hoofdletter |
Plan voor vier weken
- Week 1: werkwoorden bij ik, jij, hij en wij. Oefen dagelijks de onderdelen uit "Werkwoorden: d of dt".
- Week 2: 't kofschip en het voltooid deelwoord.
- Week 3: de verlengingsregel en enkele of dubbele letters.
- Week 4: verkleinwoorden, hoofdletters en een dictee. Bekijk daarna je foutenschrift.
Doe elke dag tien minuten en herhaal de vragen die fout gingen.
Wat past bij welke leeftijd?
- Groep 5 en 6: vooral verlengingsregel, enkele of dubbele letter en hoofdletters.
- Groep 7 en 8: werkwoordspelling en het voltooid deelwoord. Bij de doorstroomtoets hoort ook een onderdeel taalverzorging.
- Brugklas en bovenbouw: werkwoordspelling in alle tijden en het toepassen van de regels in eigen teksten.
Elk kind leert in zijn eigen tempo. Kijk vooral naar welke fouten steeds terugkomen.
Wanneer is extra hulp verstandig?
Blijft spelling ondanks veel oefenen heel lastig, dan is het slim om dit met de leerkracht of mentor te bespreken. Soms is er meer nodig dan oefenen, zoals gerichte uitleg per regel. Bij twijfel over dyslexie kan de school meedenken over vervolgstappen.
Oefen per onderwerp
Wil je één regel grondig oefenen? Kies een pagina met eigen oefenvragen en uitleg:
- D of dt: werkwoorden in de tegenwoordige tijd
- 't Kofschip: voltooid deelwoord en verleden tijd
- Verlengingsregel: d of t, b of p, g of ch
- Enkele of dubbele letter: manen of mannen
- Verkleinwoorden: -je, -tje, -pje, -kje en -etje
- Hoofdletters: namen, talen, dagen en maanden
Hoe bijles Nederlands hierbij kan helpen
Spelling wordt sterker met regelmatig oefenen en feedback op de fouten die steeds terugkomen. Bij bijles Nederlands aan huis kijkt een vaste docent samen met jouw kind welke regels nog lastig zijn en oefent daar gericht mee, zonder dat het saai wordt.
Veelgestelde vragen
Hoe kan ik het beste spelling oefenen?
Oefen kort en vaak, bijvoorbeeld tien minuten per dag. Houd een foutenschrift bij en herhaal fouten na een dag, drie dagen en een week.
Wat is 't kofschip?
Een geheugensteun voor de letters t, k, f, s, ch en p. Staat een van die letters in de stam van de infinitief, dan schrijf je -t of -te, anders -d of -de.
Hoe weet ik of ik d of dt moet schrijven?
Bepaal eerst de stam. Bij ik is dat alleen de stam, bij jij, hij, zij en het komt er een t achter. Eindigt de stam op een d, dan krijg je dt: hij houdt.
Wat is de verlengingsregel?
Weet je niet of je aan het eind van een woord een d of t (of b of p) moet schrijven? Maak het woord dan langer, meestal met het meervoud: hond wordt honden, dus schrijf je een d.
