De onvoltooid verleden tijd (o.v.t.) gebruik je om te vertellen wat in het verleden gebeurde. Hij wordt vooral gebruikt in verhalen. Hieronder zie je hoe je hem vormt bij zwakke en sterke werkwoorden.
Wanneer gebruik je de o.v.t.?
Je gebruikt de onvoltooid verleden tijd voor gebeurtenissen die voorbij zijn, vooral in een verhaal: Gisteren liep ik naar school. Bij een voltooide handeling zeg je in de praktijk vaak de voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.): Ik heb gisteren gelopen.
Zwakke werkwoorden
Bij zwakke werkwoorden voeg je -te of -de toe aan de stam. Welke van de twee je nodig hebt, bepaalt 't kofschip: eindigt de stam op t, k, f, s, ch of p, dan schrijf je -te. Anders schrijf je -de.
- werken: stam werk, dus ik werkte, wij werkten
- horen: stam hoor, dus ik hoorde, wij hoorden
Sterke werkwoorden
Bij sterke werkwoorden verandert de klinker in de stam. Je moet ze leren. In het enkelvoud is de vorm anders dan in het meervoud:
- lopen: ik liep, wij liepen
- zien: ik zag, wij zagen
- nemen: ik nam, wij namen
- gaan: ik ging, wij gingen
O.v.t. en v.t.t. vergeleken
- Onvoltooid verleden tijd: ik liep, hij werkte
- Voltooid tegenwoordige tijd: ik heb gelopen, hij heeft gewerkt
De v.t.t. maak je met hebben of zijn en het voltooid deelwoord. Meer over het voltooid deelwoord lees je bij werkwoordspelling.
Veelgemaakte fouten
- Bij een zwak werkwoord -te en -de door elkaar halen. Kijk naar de stam, niet naar de infinitief.
- Een sterk werkwoord zwak vervoegen: ik loopte in plaats van ik liep.
- Het enkelvoud en het meervoud verwarren.
Oefenzinnen met antwoorden
- Gisteren (lopen) ik naar school.
- Ze (zien) een vogel.
- Wij (nemen) de bus.
- Hij (werken) hard.
- Ik (horen) een geluid.
Antwoorden: 1) liep. 2) zag. 3) namen. 4) werkte. 5) hoorde.
Hoe bijles Nederlands hierbij kan helpen
De verleden tijd leer je door te oefenen met veel korte zinnen. Bij bijles Nederlands aan huis oefent een vaste docent met zinnen op het niveau van jouw kind, tot sterke en zwakke werkwoorden vanzelf gaan.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen o.v.t. en v.t.t.?
De o.v.t. is een enkelvoudige verleden tijd (ik liep). De v.t.t. is een samengestelde tijd met hebben of zijn (ik heb gelopen).
Hoe weet ik of een werkwoord sterk of zwak is?
Bij zwakke werkwoorden voeg je -te of -de toe aan de stam. Bij sterke werkwoorden verandert de klinker. Sterke werkwoorden moet je leren.
Waarom heeft de meervoudsvorm een -en?
In het meervoud krijgt de o.v.t. de uitgang -en: wij liepen, wij werkten. In het enkelvoud is er geen extra uitgang.
