Hij wordt of hij word? Ik vind of ik vindt? Bij werkwoorden hoor je vaak geen verschil, maar schrijf je het wel anders. Met één vast stappenplan kies je altijd goed tussen d en dt. Oefen direct hieronder en lees daarna de regel met voorbeelden.
Oefen direct: d of dt
Kies wat je wilt oefenen
Het stappenplan in drie stappen
- Zoek de persoonsvorm. Dat is het werkwoord dat verandert als je het onderwerp verandert.
- Bepaal de stam. Haal -en van de infinitief af: worden wordt word, vinden wordt vind, werken wordt werk. De stam is meestal gelijk aan de ik-vorm.
- Kijk naar het onderwerp.
- Bij ik schrijf je de stam.
- Bij jij, hij, zij (één persoon) en het komt er een t achter de stam.
- Bij wij, jullie en zij (meer personen) schrijf je de hele infinitief.
- Staat jij achter het werkwoord, dan schrijf je alleen de stam.
Voorbeelden per persoon
| Werkwoord | Ik | Jij | Hij | Wij |
|---|---|---|---|---|
| worden | ik word | jij wordt | hij wordt | wij worden |
| vinden | ik vind | jij vindt | hij vindt | wij vinden |
| houden | ik houd | jij houdt | hij houdt | wij houden |
| rijden | ik rijd | jij rijdt | hij rijdt | wij rijden |
| werken | ik werk | jij werkt | hij werkt | wij werken |
| eten | ik eet | jij eet | hij eet | wij eten |
Waarom schrijf je dt?
Neem hij wordt. De stam is word, en bij hij komt er een t achter. Je hoort maar één t, maar je schrijft twee letters: de d hoort bij de stam en de t is de uitgang. Zo werkt het bij alle werkwoorden met een stam op d.
Als de stam al op een t eindigt
Eindigt de stam al op een t, dan komt er geen tweede t bij. Eten heeft de stam eet, dus hij eet. Praten heeft de stam praat, dus zij praat. Zetten heeft de stam zet, dus hij zet.
Onregelmatige werkwoorden
Een paar werkwoorden hebben bij ik en hij geen t: ik wil, hij wil, ik kan, hij kan, ik mag, hij mag en ik zal, hij zal. Leer deze vormen uit je hoofd.
Zes veelgemaakte fouten
| Fout | Goed | Waarom |
|---|---|---|
| hij word | hij wordt | bij hij komt er een t achter de stam |
| ik vindt | ik vind | bij ik schrijf je alleen de stam |
| vindt je dat leuk? | vind je dat leuk? | staat je achter het werkwoord, dan geen t |
| hij wilt | hij wil | wil is onregelmatig |
| zij eett | zij eet | de stam eindigt al op een t |
| jij word | jij wordt | bij jij voor het werkwoord komt er een t bij |
Dictee om zelf te oefenen
Vul de goede vorm in. De antwoorden staan eronder.
- Hij (worden) boos als hij verliest.
- Ik (vinden) dat een goed plan.
- Wat (vinden) jij ervan?
- Mijn moeder (werken) in een winkel.
- De trein (rijden) om tien uur.
- Zij (eten) graag soep.
- Wij (worden) later dokter.
- Het meisje (houden) van muziek.
Antwoorden: 1) wordt. 2) vind. 3) vind. 4) werkt. 5) rijdt. 6) eet. 7) worden. 8) houdt.
Meer oefenen
Wil je ook oefenen met de verleden tijd en het voltooid deelwoord? Lees dan 't kofschip uitgelegd. Alle spellingregels vind je op spelling oefenen. Wil je meer diepgang? Lees ons artikel over werkwoordspelling.
Hoe bijles Nederlands hierbij kan helpen
Werkwoordspelling leer je door het stappenplan steeds opnieuw toe te passen. Bij bijles Nederlands aan huis oefent een vaste docent met zinnen op het niveau van jouw kind, tot d of dt vanzelf goed gaat.
Veelgestelde vragen
Hoe weet ik of ik d of dt moet schrijven?
Bepaal de stam van het werkwoord en kijk naar het onderwerp. Bij ik schrijf je de stam, bij jij, hij, zij (één persoon) en het komt er een t achter. Eindigt de stam op een d, dan krijg je dt.
Wanneer komt er een t achter de stam?
Bij jij, hij, zij (één persoon) en het. Staat jij achter het werkwoord, dan komt er geen t: vind jij dat leuk?
Waarom schrijf je "vind je" zonder t?
Omdat je achter het werkwoord staat. Bij zo'n vraag schrijf je alleen de stam: vind je dat leuk?
Is "hij wilt" goed?
Nee. Willen is onregelmatig. Bij ik en hij schrijf je wil, zonder t.
