In samenwerking met Abacus Bijlesinstituut VijfheerenlandenAbacus Bijlesinstituut Vijfheerenlanden
Nederlands

Lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Het lijdend voorwerp is een van de zinsdelen die kinderen bij zinsontleding het vaakst zoeken. Met één vaste vraag vind je het altijd. Oefen direct met de quiz hieronder en lees daarna hoe je het lijdend en het meewerkend voorwerp herkent, met voorbeelden en oefenzinnen.

Oefen direct: lijdend en meewerkend voorwerp

Kies wat je wilt oefenen

Wat is een lijdend voorwerp?

Het lijdend voorwerp is het zinsdeel dat aangeeft wie of wat iets ondergaat, of waar de handeling over gaat. In De hond bijt de postbode is de postbode degene die gebeten wordt. Dat is het lijdend voorwerp. Je vindt het alleen in een zin met een werkwoordelijk gezegde: bij een koppelwerkwoord zoals zijn, worden of blijven is er geen.

Zo vind je het lijdend voorwerp in drie stappen

  1. Zoek de persoonsvorm en het onderwerp. Meer daarover lees je in ons artikel over zinsontleding.
  2. Stel de vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp? Bij Emma leest elke avond een boek is dat: wat leest Emma? Antwoord: een boek.
  3. Controleer met de lijdende vorm. Maak van de zin een zin met worden: Het boek wordt door Emma gelezen. Het lijdend voorwerp is nu het onderwerp geworden. Lukt dat, dan klopt je antwoord.

Voorbeelden

ZinVraagLijdend voorwerp
De kat vangt een muis.Wat vangt de kat?een muis
Mijn vader wast de auto.Wat wast mijn vader?de auto
Wij eten vanavond pannenkoeken.Wat eten wij?pannenkoeken
Ik zie hem in de tuin.Wie zie ik?hem
Dat boek heb ik gisteren gelezen.Wat heb ik gelezen?dat boek

Kijk goed naar de laatste zin. Het lijdend voorwerp staat hier vooraan. Het staat dus niet altijd achter het werkwoord.

Zinnen zonder lijdend voorwerp

ZinWaarom er geen lijdend voorwerp is
De film was erg spannend.Was is een koppelwerkwoord (naamwoordelijk gezegde).
Mijn broer wordt volgende week tien.Wordt is een koppelwerkwoord (naamwoordelijk gezegde).
De kinderen spelen buiten.Buiten zegt waar: een bijwoordelijke bepaling van plaats.
De trein vertrekt om acht uur.Om acht uur zegt wanneer: een bijwoordelijke bepaling van tijd.

Wat is een meewerkend voorwerp?

Het meewerkend voorwerp is degene die iets krijgt of voor wie iets gebeurt. Je vindt het met de vraag: aan of voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? Een meewerkend voorwerp komt bijna altijd samen met een lijdend voorwerp voor.

Neem De juf geeft de kinderen een compliment. Wat geeft de juf? Een compliment: dat is het lijdend voorwerp. Aan wie geeft zij het? Aan de kinderen: dat is het meewerkend voorwerp. Een handige test is de zin verplaatsen: De juf geeft een compliment aan de kinderen. Het meewerkend voorwerp krijgt dan het woordje aan of voor ervoor.

Het verschil op een rij

ZinsdeelVraagVoorbeeld
Lijdend voorwerpwie of wat + gezegde + onderwerp?Zij kocht haar zusje een cadeau.
Meewerkend voorwerpaan of voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?Zij kocht haar zusje een cadeau.

Veelgemaakte fouten

  • Het lijdend voorwerp aanwijzen zonder eerst het onderwerp te zoeken. Bij De hond bijt de postbode geeft de vraag wie of wat bijt? de hond. Dat is het onderwerp. Stel de vraag pas als je het onderwerp kent: wie of wat bijt de hond?
  • Denken dat het lijdend voorwerp altijd achter het werkwoord staat. In Dat boek heb ik gelezen staat het vooraan.
  • Het lijdend en het meewerkend voorwerp verwisselen. Het meewerkend voorwerp is degene die iets krijgt.
  • Een bijwoordelijke bepaling aanzien voor een lijdend voorwerp. Woorden als gisteren, buiten en om acht uur zeggen wanneer of waar. Ze antwoorden niet op wie of wat.
  • Een voorzetselvoorwerp aanzien voor een lijdend voorwerp. In Ik wacht op de bus hoort het voorzetsel op bij het werkwoord wachten. Op de bus is daarom een voorzetselvoorwerp.

Oefenzinnen met antwoorden

Zoek in elke zin het onderwerp, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Niet elke zin heeft ze allemaal.

  1. Mijn zus schildert een portret.
  2. Dat boek heb ik gisteren gelezen.
  3. Mijn moeder serveert de gasten thee.
  4. De docent geeft de klas morgen een toets.
  5. Het meisje is erg blij.
  6. Zij bakte haar vader een taart.

Antwoorden: 1) onderwerp mijn zus, lijdend voorwerp een portret. 2) onderwerp ik, lijdend voorwerp dat boek, bijwoordelijke bepaling van tijd gisteren. 3) onderwerp mijn moeder, meewerkend voorwerp de gasten, lijdend voorwerp thee. 4) onderwerp de docent, meewerkend voorwerp de klas, lijdend voorwerp een toets, bijwoordelijke bepaling van tijd morgen. 5) onderwerp het meisje, naamwoordelijk gezegde is erg blij, geen lijdend voorwerp. 6) onderwerp zij, meewerkend voorwerp haar vader, lijdend voorwerp een taart.

Hoe bijles Nederlands hierbij kan helpen

Zinsontleding leer je door veel zinnen te ontleden met steeds dezelfde vragen. Bij bijles Nederlands aan huis oefent een vaste docent met zinnen op het niveau van jouw kind, tot het herkennen van zinsdelen vanzelf gaat.

Veelgestelde vragen

Hoe vind je het lijdend voorwerp?
Zoek eerst de persoonsvorm en het onderwerp. Stel dan de vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp? Het antwoord is het lijdend voorwerp.

Wat is het verschil tussen lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp?
Het lijdend voorwerp is degene of datgene waar de handeling over gaat (wie of wat). Het meewerkend voorwerp is degene die iets krijgt of voor wie iets gebeurt (aan of voor wie).

Heeft elke zin een lijdend voorwerp?
Nee. Zinnen met een koppelwerkwoord (zijn, worden, blijven) hebben geen lijdend voorwerp. Ook werkwoorden zonder voorwerp, zoals spelen in De kinderen spelen buiten, hebben er geen.

Staat het lijdend voorwerp altijd achter het werkwoord?
Nee. In Dat boek heb ik gelezen staat het lijdend voorwerp vooraan. Gebruik dus altijd de vraag wie of wat + gezegde + onderwerp.

Is hem in "Ik zie hem" een lijdend voorwerp?
Ja. Wie zie ik? Hem. Ook een persoonlijk voornaamwoord kan een lijdend voorwerp zijn.

Loopt jouw kind vast bij zinsontleding?

In een vrijblijvende kennismaking bespreken we welke onderdelen van Nederlands extra aandacht nodig hebben.

Plan gratis kennismaking