De meeste Franse werkwoorden vervoegen volgens een vast patroon, gebaseerd op hun uitgang: -er, -ir of -re. Ken je die drie patronen, dan kun je honderden werkwoorden vervoegen. Daarnaast zijn er een paar hoogfrequente werkwoorden — être, avoir, aller en faire — die onregelmatig zijn en apart geleerd moeten worden.
Groep 1: werkwoorden op -er
De grootste groep, en ook de regelmatigste. Voorbeeld: parler (spreken).
Groep 2: werkwoorden op -ir
Voorbeeld: finir (afmaken).
Groep 3: werkwoorden op -re
Voorbeeld: vendre (verkopen).
Être (zijn)
Avoir (hebben)
Aller (gaan)
Faire (doen/maken)
Deze vier werkwoorden zijn extra belangrijk om uit je hoofd te kennen: être en avoir worden ook gebruikt als hulpwerkwoord om andere tijden te vormen, zoals de passé composé.
Stappenplan bij een onbekend werkwoord
- Kijk naar de uitgang van de infinitief: -er, -ir of -re.
- Haal de stam eraf (het deel vóór de uitgang).
- Plak de bijbehorende uitgang van dat rijtje achter de stam.
- Controleer of het werkwoord niet toch onregelmatig is — die moet je apart kennen.
Veelgemaakte fouten
- De uitgangen van de verkeerde groep gebruiken (bijvoorbeeld -er-uitgangen op een -ir-werkwoord toepassen).
- Vergeten dat être en avoir onregelmatig zijn en ze toch volgens een groepspatroon proberen te vervoegen.
- De stam verkeerd afhalen bij werkwoorden op -re.
Hoe bijles Frans hierbij kan helpen
Vervoegen wordt een automatisme met veel herhaling op verschillende werkwoorden. Bij bijles Frans aan huis oefenen we met rijtjes op maat, gericht op de werkwoorden die op school worden overhoord.
