Het Frans gebruikt, net als het Nederlands en Engels, verschillende tijden om aan te geven wanneer iets gebeurt. Dit overzicht laat de belangrijkste tijden zien; voor het lastigste onderscheid — passé composé versus imparfait — hebben we een apart, uitgebreider artikel.
Présent
Voor nu, gewoontes en algemene feiten — vergelijkbaar met de present simple in het Engels.
Passé composé
Voor een afgeronde actie in het verleden, gevormd met avoir of être plus het voltooid deelwoord.
Imparfait
Voor een beschrijving, een gewoonte of een achtergrondsituatie in het verleden.
Wanneer je passé composé en wanneer imparfait gebruikt, is precies waar veel leerlingen mee worstelen. De volledige uitleg met voorbeelden staat in ons artikel passé composé of imparfait.
Futur proche
Voor de nabije toekomst, gevormd met aller plus de infinitief.
Futur simple
Voor de toekomst in het algemeen.
Snel overzicht
Verleden, afgerond: passé composé
Verleden, beschrijving/gewoonte: imparfait
Nabije toekomst: futur proche (aller + infinitief)
Toekomst: futur simple
Veelgemaakte fouten
- Passé composé en imparfait verwisselen, vooral bij het beschrijven van een verleden situatie.
- Bij passé composé het verkeerde hulpwerkwoord kiezen (avoir versus être).
- Futur proche en futur simple door elkaar gebruiken, terwijl futur proche specifiek voor de nabije toekomst is.
Hoe bijles Frans hierbij kan helpen
Franse tijden worden duidelijker met veel voorbeeldzinnen naast elkaar. Bij bijles Frans aan huis oefenen we met zinnen op het niveau van jouw kind, tot het verschil tussen de tijden vanzelf aanvoelt.
