In samenwerking met Abacus Bijlesinstituut VijfheerenlandenAbacus Bijlesinstituut Vijfheerenlanden
Bedrijfseconomie

De resultatenrekening

De resultatenrekening laat zien of een bedrijf in een bepaalde periode winst of verlies heeft gemaakt. Ze is opgebouwd in een vaste volgorde, van omzet naar nettowinst. Met een uitgewerkt voorbeeld zie je hoe elke stap werkt.

Resultatenrekening en balans

De balans is een momentopname van wat een bedrijf bezit en schuldig is. De resultatenrekening laat zien wat er over een periode, meestal een jaar, aan opbrengsten en kosten is geweest. Samen geven ze een beeld van de financiële positie.

De opbouw stap voor stap

  1. Omzet: de verkopen in de periode.
  2. Inkoopwaarde van de omzet: wat de verkochte producten hebben gekost.
  3. Brutowinst: omzet min inkoopwaarde.
  4. Bedrijfskosten: onder meer personeel, huur en afschrijving.
  5. Bedrijfsresultaat: brutowinst min bedrijfskosten.
  6. Rentelasten: kosten van geleend geld.
  7. Resultaat voor belasting: bedrijfsresultaat min rentelasten.
  8. Belasting: de te betalen belasting.
  9. Nettowinst: wat er uiteindelijk overblijft.

Een uitgewerkt voorbeeld

Een winkel heeft een omzet van 200.000 euro en een inkoopwaarde van 120.000 euro.

  • Brutowinst: 200.000 − 120.000 = 80.000 euro
  • Bedrijfskosten: personeel 30.000, huur 12.000, afschrijving 8.000 en overig 10.000, samen 60.000 euro
  • Bedrijfsresultaat: 80.000 − 60.000 = 20.000 euro
  • Rentelasten: 2.000 euro, dus resultaat voor belasting 18.000 euro
  • Belasting (in dit voorbeeld 25%): 4.500 euro
  • Nettowinst: 18.000 − 4.500 = 13.500 euro

Het brutowinstpercentage

Het brutowinstpercentage laat zien hoeveel van de omzet overblijft na de inkoopwaarde: 80.000 : 200.000 × 100% = 40%. Dat is een handige maat om bedrijven en jaren met elkaar te vergelijken.

Veelgemaakte fouten

  • De inkoopwaarde en de bedrijfskosten door elkaar halen.
  • Afschrijving vergeten mee te tellen bij de bedrijfskosten.
  • De rente pas na de belasting verwerken.
  • Het percentage over de verkeerde basis berekenen. Het brutowinstpercentage is altijd over de omzet.

Oefenopgave met antwoord

Een bedrijf heeft een omzet van 500.000 euro, een inkoopwaarde van 300.000 euro, bedrijfskosten van 150.000 euro en rentelasten van 10.000 euro. Bereken de brutowinst, het bedrijfsresultaat en het resultaat voor belasting.

Antwoord: brutowinst 200.000 euro, bedrijfsresultaat 200.000 − 150.000 = 50.000 euro, resultaat voor belasting 50.000 − 10.000 = 40.000 euro.

Wat als er verlies is?

Is de brutowinst 50.000 euro en zijn de bedrijfskosten 60.000 euro, dan is het bedrijfsresultaat 50.000 − 60.000 = −10.000 euro. Dat is een verlies. Er is dan geen winstbelasting te betalen, en het verlies komt in de cijfers als negatief resultaat.

Vergelijken met het vorige jaar

Was de omzet vorig jaar 180.000 euro en nu 200.000 euro, dan is dat een groei van 20.000 : 180.000 × 100% ≈ 11,1%. Zo kun je bij een toetsvraag ook uitleggen of het bedrijf beter of slechter draait dan vorig jaar.

Hoe bijles bedrijfseconomie hierbij kan helpen

De resultatenrekening leer je het best door veel voorbeelden zelf uit te werken. Bij bijles bedrijfseconomie aan huis oefent een vaste docent met opgaven op examenniveau, zodat jouw kind de volgorde en de berekeningen vanzelf beheerst.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen brutowinst en nettowinst?
Brutowinst is de omzet min de inkoopwaarde. Nettowinst is wat er overblijft nadat ook alle kosten, rente en belasting zijn afgetrokken.

Is een resultatenrekening hetzelfde als een winst-en-verliesrekening?
Ja, dat zijn twee namen voor hetzelfde. Op school wordt vaak resultatenrekening gebruikt.

Hoe onthoud ik de volgorde?
Denk aan een trap: omzet, inkoopwaarde, brutowinst, bedrijfskosten, bedrijfsresultaat, rente, belasting, nettowinst. Elke stap volgt uit de vorige.

Loopt jouw kind vast bij bedrijfseconomie?

In een vrijblijvende kennismaking bespreken we welke onderdelen van bedrijfseconomie extra aandacht nodig hebben.

Plan gratis kennismaking