Present perfect en past simple worden vaak door elkaar gehaald, vooral omdat het Nederlands hier maar één voltooide tijd voor gebruikt. Met een paar duidelijke regels en signaalwoorden kies je bijna altijd goed.
Hoe maak je de tijden?
- Past simple: de verleden tijd. Regelmatige werkwoorden krijgen -ed (I played), onregelmatige werkwoorden hebben een eigen vorm (I went).
- Present perfect: have of has plus het voltooid deelwoord (I have played, she has gone).
Wanneer gebruik je de past simple?
Je gebruikt de past simple voor iets dat in het verleden gebeurd en afgelopen is, vooral als er een tijdstip bij staat: I saw that film last week. Did you see the match yesterday? We lived in Utrecht in 2015.
Wanneer gebruik je het present perfect?
Het present perfect gebruik je als er een verband met nu is, of als het tijdstip niet genoemd wordt: I have seen that film. She has never eaten sushi. We have lived in Utrecht since 2015. In het laatste voorbeeld woon je er nog steeds.
Signaalwoorden
- Past simple: yesterday, last week, in 2019, two days ago, when I was young.
- Present perfect: already, yet, ever, never, just, so far, since, for.
Since en for
Since gebruik je met een beginpunt: since 2020, since Monday. For gebruik je met een periode: for three years, for two hours.
De Nederlandse valkuil
In het Nederlands zeggen we ik heb hem gisteren gezien. Letterlijk vertaald wordt dat I have seen him yesterday, en dat is fout. Staat er een vast tijdstip in het verleden bij, zoals yesterday, dan gebruik je de past simple: I saw him yesterday.
Oefenquiz met antwoorden
Vul de juiste vorm in.
- I ___ (see) that film last week.
- She ___ (live) here since 2020.
- We ___ (not / finish) our homework yet.
- They ___ (visit) Paris in 2018.
Antwoorden: 1) saw. 2) has lived. 3) have not finished. 4) visited.
Meer voorbeelden naast elkaar
- I lost my keys yesterday. (past simple) en I have lost my keys. (present perfect: ze zijn nu nog weg)
- She visited Rome in 2019. en She has visited Rome twice.
- Did you finish your homework? en Have you finished your homework yet?
Onregelmatige werkwoorden: begin hiermee
Leer de drie vormen achter elkaar: go, went, gone. see, saw, seen. do, did, done. eat, ate, eaten. write, wrote, written. take, took, taken. buy, bought, bought. make, made, made. Herhaal ze elke dag een paar minuten, hardop.
Vragen en ontkenningen
- Present perfect: Have you finished? en I have not finished. Bij he, she en it gebruik je has: Has she finished?
- Past simple: hier komt did bij. Did you finish? en I did not finish. Het hoofdwerkwoord blijft dan in de basisvorm.
Zo oefen je
Maak van elke zin die je leest of hoort een keuze: past simple of present perfect? Kijk daarna naar het signaalwoord. Na een week merk je dat je het meestal al voelt, zonder na te denken.
Hoe bijles Engels hierbij kan helpen
Met bijles Engels aan huis oefent een vaste docent de tijden in zinnen die bij jouw kind passen, tot het kiezen tussen present perfect en past simple geen twijfel meer geeft.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen "I have been to Paris" en "I went to Paris"?
I have been to Paris zegt dat je er ooit bent geweest, zonder tijdstip. I went to Paris gaat over een bepaalde keer in het verleden, vaak met een tijdstip erbij.
Kan ik yesterday met het present perfect gebruiken?
Nee. Bij een afgeronde tijd zoals yesterday, last week of in 2019 gebruik je de past simple.
Hoe onthoud ik de onregelmatige werkwoorden?
Leer ze in kleine groepjes van vijf en oefen ze hardop, liefst met de drie vormen achter elkaar: go, went, gone.
