Het Engels heeft, net als het Nederlands, meerdere tijden om aan te geven wanneer iets gebeurt — maar de grenzen tussen die tijden liggen net anders dan in het Nederlands. Dit overzicht laat de belangrijkste tijden zien, met wanneer je welke gebruikt.
Present simple
Voor feiten, gewoontes en dingen die altijd waar zijn.
Present continuous
Voor iets dat op dit moment aan de gang is.
Past simple
Voor een afgeronde actie op een bepaald moment in het verleden.
Past continuous
Voor iets dat op een bepaald moment in het verleden aan de gang was.
Present perfect
Voor iets uit het verleden dat een link heeft met nu (het resultaat is nog relevant, of je weet niet precies wanneer het gebeurde).
Het verschil tussen present perfect en past simple is voor Nederlandstalige leerlingen extra lastig, omdat het Nederlands dat onderscheid niet op dezelfde manier maakt. Een volledige uitleg met voorbeelden staat in ons artikel over present perfect of past simple.
Toekomende tijd: will en going to
Will gebruik je voor een spontane beslissing of een voorspelling: "I will help you." Going to gebruik je voor een plan dat al vaststaat: "I am going to study tonight."
Snel overzicht
Nu, bezig: present continuous
Verleden, afgerond: past simple
Verleden, bezig: past continuous
Verleden met link naar nu: present perfect
Toekomst: will / going to
Veelgemaakte fouten
- Present perfect gebruiken voor een duidelijk afgeronde actie met een tijdsaanduiding in het verleden (dan hoort het past simple te zijn).
- De -s vergeten bij present simple in de derde persoon enkelvoud (he work in plaats van he works).
- Continuous-vormen gebruiken bij werkwoorden die geen actie beschrijven, zoals "know" of "like" (niet "I am knowing", wel "I know").
Hoe bijles Engels hierbij kan helpen
Engelse tijden worden duidelijker met veel voorbeeldzinnen naast elkaar, zodat het verschil in gebruik zichtbaar wordt. Bij bijles Engels aan huis oefenen we met zinnen op het niveau van jouw kind, tot de juiste tijd vanzelf aanvoelt.
