Hoe "sterk" een oplossing is — veel opgeloste stof in weinig water, of juist weinig in veel water — wordt in de scheikunde uitgedrukt als concentratie. Zodra je weet hoeveel mol van een stof er in hoeveel liter oplossing zit, is de concentratie een eenvoudige berekening.
De formule
c is de concentratie in mol per liter (mol/L), ook wel molariteit genoemd, n is het aantal mol opgeloste stof, en V is het volume van de oplossing in liter.
Voorbeeld 1: de concentratie berekenen
0,5 mol zout wordt opgelost tot een oplossing van 2 liter. Wat is de concentratie? c = n ÷ V = 0,5 ÷ 2 = 0,25 mol/L.
Voorbeeld 2: het aantal mol berekenen
Een oplossing van 3 liter heeft een concentratie van 0,4 mol/L. Hoeveel mol stof zit erin? n = c × V = 0,4 × 3 = 1,2 mol.
Voorbeeld 3: het volume berekenen
Er is 2 mol stof nodig om een oplossing van 0,8 mol/L te maken. Hoeveel liter oplossing levert dat op? V = n ÷ c = 2 ÷ 0,8 = 2,5 liter.
Verdunnen: de concentratie verlagen
Voeg je water toe aan een oplossing, dan blijft het aantal mol opgeloste stof gelijk — alleen het volume neemt toe, waardoor de concentratie daalt. Dat wordt gebruikt bij de verdunningsformule:
Hierbij zijn c₁ en V₁ de concentratie en het volume vóór het verdunnen, en c₂ en V₂ erna.
Veelgemaakte fouten
- De formule omdraaien: n ÷ V verwisselen met V ÷ n.
- Het volume in milliliter gebruiken zonder eerst om te rekenen naar liter.
- Bij verdunnen denken dat het aantal mol opgeloste stof verandert — dat blijft gelijk, alleen het volume verandert.
Hoe bijles scheikunde hierbij kan helpen
Concentratie berekenen sluit direct aan op rekenen met mol, en wordt makkelijker zodra beide formules vlot naast elkaar gebruikt kunnen worden. Bij bijles scheikunde aan huis oefenen we met opgaven die deze twee onderdelen combineren, zoals ze ook op een toets terugkomen.
