Hoe snel reed die auto? Hoe lang duurt de fietstocht naar school? Snelheid is een van de meest concrete natuurkundebegrippen, omdat iedereen er dagelijks mee te maken heeft. Toch gaat het bij het rekenen vaak mis — meestal door de verkeerde eenheden door elkaar te gebruiken.
De formule
v is de snelheid, s de afgelegde afstand, en t de tijd die daarvoor nodig was. Vul je s in meters en t in seconden in, dan krijg je de snelheid in meter per seconde (m/s). Vul je s in kilometers en t in uren in, dan krijg je kilometer per uur (km/h).
Omrekenen tussen km/h en m/s
Van m/s naar km/h: vermenigvuldig met 3,6
Deze factor 3,6 komt van de omrekening zelf: 1 km = 1.000 m en 1 uur = 3.600 s, dus 1.000 ÷ 3.600 = 0,277... en 1 ÷ 0,277 = 3,6.
Voorbeeld 1: de snelheid berekenen
Een fietser legt 15 km af in 1 uur. Wat is de snelheid? v = s ÷ t = 15 ÷ 1 = 15 km/h.
Voorbeeld 2: omrekenen naar m/s
Een auto rijdt 90 km/h. Hoeveel is dat in m/s? 90 ÷ 3,6 = 25 m/s.
Voorbeeld 3: de afstand berekenen
Een trein rijdt met een snelheid van 120 km/h, gedurende 2,5 uur. Welke afstand legt hij af? s = v × t = 120 × 2,5 = 300 km.
Gemiddelde snelheid
Rijdt iemand een stuk sneller en een stuk langzamer, dan bereken je de gemiddelde snelheid over de hele rit met dezelfde formule: totale afstand gedeeld door totale tijd — niet door de losse snelheden bij elkaar op te tellen en te delen door het aantal stukken.
Veelgemaakte fouten
- Kilometers en meters, of uren en seconden, door elkaar gebruiken zonder om te rekenen.
- De omrekenfactor 3,6 verkeerd om toepassen (vermenigvuldigen waar delen moet).
- Bij een gemiddelde snelheid de losse snelheden optellen en delen door twee, in plaats van totale afstand door totale tijd te delen.
Hoe bijles natuurkunde hierbij kan helpen
Snelheidssommen wordt makkelijker zodra het omrekenen tussen eenheden een automatisme is. Bij bijles natuurkunde aan huis oefenen we met opgaven in verschillende eenheden, tot v = s/t moeiteloos wordt toegepast.
